Tussen het kanaal en de megadrukke baan zat hoogstens anderhalve meter en iedere keer er een truck voorbijkwam duwde het voorbijgeraas onze lichte brollies gewoon plat! Het was precies of we waren langs de M3 aan het vissen, niet normaal… Zover onze ogen konden zien, zowel links als rechts, was er niets anders dan mijlenlang kanaal. Een geïndustrialiseerde, betonnen bak. Yates zou het niet beter verzonnen kunnen hebben. De perfecte karperstek, ow yeah!

Het was reeds middernacht toen alles opgezet was. We visten beiden met slechts een hengel en tegen tien uur de volgende morgen hadden we zo’n vijftien aanbeten gehad. Om eerlijk te zijn, we waren de tel verloren. Hoeft het gezegd dat we die ochtend doodop waren? Als het de trucks niet waren die ons uit onze slaap hielden, dan waren we druk in de weer om boze kanaalkarpers van vijf voet hoog in het net te proberen loodsen. Een kruisnet ware hier handiger geweest… De visserij kon hier niet simpeler zijn: al wat we hoefden te doen was onze rigs een voet uit de kant laten afzakken, gevolgd door een handvol vismeelknikkers. De beten kwamen binnen de vijftien minuten, heel af en toe maximum een uur, maar komen deden ze. Net voor we inpakten kwam een man die van kop tot teen in witte labokledij getooid was op ons af om een waterstaal te nemen met vrij indrukwekkende science fiction apparatuur, dit recht op de plek waar Meeky’s haakaas gepositioneerd was. Hij gaf ons een blik alsof wij de rare snuiters waren, om daarna terug te keren naar de allesbehalve vriendelijk ogende fabriek aan de andere kant van de weg. De rest van de dag in temperaturen van 28 graden spenderen op een plek die beter als vluchtstrook had gediend, was noch Meeky’s noch mijn idee. Kort daarna pakten we weer in, om opnieuw vaart te zetten naar een plekje waar het volgens intimi een pak rustiger zou zijn. En ook met veel minder beton.

Na een paar uurtjes rondrijden, op zoek naar een laan zonder naam met onze gps als Google Earth substituut op zoek naar de kleine blauwe stipjes, vonden we uiteindelijk de putten. Nog ’s dertig minuten wandelen en klauteren later vonden we dat blauw waar wij op zoek naar waren. Alsof die tocht nog niet eens genoeg was, was er ook tijdsdruk. De oranje gloed van de zon was al te zien, zwermen vliegen en muggen begonnen de kalme augustuslucht te vullen en we wisten dat het licht snel zou uitgaan. We hadden al vier nachten nog niet echt kunnen slapen, en verteerd door de muggen begonnen onze zweterige, hongerige en uitgedroogde lichamen op ons humeur te werken. Maar toen er eentje recht voor ons boeggolfde in het obstakelhoekje waar we op de uitkijk stonden, waren we er terug met onze hoofden bij.

We baanden ons een weg terug naar onze van, en alsof we nog maar net fris aangekomen waren, gooiden we de twee karrenvrachten gestroomlijnde uitrustingen op een enkele barrow en togen over het bruggetje des doods de bossen in, richting het weggemoffelde hoekje waar de reuzen verbleven… of dat hoopten we toch. Dertig minuten later waren we er, de armen verzuurd, de benen brandend. Maar we waren er. Al was het maar om ons meer hoop te geven, en ons nog maar een beetje te doen spoeden; opnieuw crashte er een vis, nu iets dieper in het hoekje. Meeky knoopte enkele kakelvese choddies met olierijke rooie popups en flikkerde ze zo goed als recht midden in de golven die de rollende vis veroorzaakt had. Ik viste vanuit een klein gaatje iets meer naar rechts toe, met een enkele hengel tegen een echt obstakelbosje in de kant, met daarop twintig rode vismeelknikkers in zalmolie. Wist ik nu maar waar mijn schepnet was, maar met Meeky op nog geen drie meter van me kon er geen probleem zijn. En om eerlijk te zijn: we waren zo laat gearriveerd,  hadden alles in een rush opgezet en met zo’n slok water voor onze neuzen leek de kans op een beet vrij verwaarloosbaar. Het enige dat we eigenlijk wilden was wat slaap inhalen. Zodra de zon achter de horizon verdwenen was, en na enkele theetjes, lagen we te knorren.

Het volgende dat ik me herinner is dat ik wakker werd van een rode led en het geluid van lijn die van een potdichte slip getrokken werd, dat het haalde bovenop het geluid van mijn muffled ATTX ontvanger die ik bewust stil gezet had. Bij de eerste run pakte de vis meteen een meter of vijfentwintig en ik schreeuwde zo luid ik kon om Meeky. Niks.

 “Meeeeeeeeeeek, Meeeeeeeek, Meeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeekyyyyyyyyy!!!!!!”

Niks. Nieuwe poging. Zelfde verhaal. De arme ziel, uitgeteld, dood voor de rest van de wereld. Ondertussen won ik lijn en, zonder net, was ik mijn opties aan het overwegen. Nee, er waren er geen, behalve dan de vis met de hand landen en ‘m op mijn bedchair en slaapzak leggen. Ik zag mijn kansen zienderogen slinken. Nog tien meter uit de kant kwam hij aan het oppervlak, van link naar rechts ploegend. Het was nu of nooit en zodra hij draaide en weer lijn begon te pakken, zette ik de slip minder vast en plaatste de hengel opnieuw in de steunen. Op goed geluk. Strompelend door het struikgewas tussen onze stekken ontwaakte Meek uiteindelijk al roepend en tierend, in de waan dat iemand zijn materiaal aan het pikken was. Ik pakte zonder twijfelen zijn net beet en zette het op een lopen in de duisternis. Uiteraard stomweg met het net voorop, dat al meteen kwam vast te zitten in een boom. Ik kon mijn spoel nog steeds horen tikken en het ledlampje bleef schijnen, de vis zat er dus nog steeds aan. Om een lang verhaal kort te maken: de vis loste de haak uiteindelijk vlak voor het net… Ik had ‘m nochtans uit een wierbed weten te halen, over het obstakel waar ik ‘m in eerste instantie haakte, de lijn daarbij hevig schurend en juist toen hij voor het net wat ploeterde viel de haak eruit. Ik voelde me verslagen en de oververmoeidheid deed er niet veel goeds aan. Het voelde ook nog eens een beste vis en we wisten dat hier gewoon erg knappe karpers rondzwommen. Op de een of andere manier voelde het gewoon onterecht om die vis op zo’n lullige manier te verspelen.

Wanneer Meeky er bij het ochtendgloren ook een loste zag het ernaar uit dat ons geluk op was. Maar ontwaken in the middle of nowhere, omgeven door bos en oude bomen was wel een meer dan mooie beloning voor onze inspanningen. Karper of geen karper. Die morgen konden we bij een kopje thee wel lachen om de nachtelijke gebeurtenissen, en nadat we eindelijk wat slaap hadden gehad, voelden we ons opnieuw wat meer mens.

Die dag leek niet te eindigen: te warm en kleverig, maar ook opvallend stil. Hoewel we wat rondneusden, waren we niet zinnens om ons materiaal lang alleen te laten. In deze regio waren diefstallen bij vissers schering en inslag en we wisten niet eens zeker of we wel mochten vissen waar we verstopt zaten. Ons zo gedeisd als mogelijk houden was dus de boodschap wilden we de volgende nacht opnieuw kans maken op een paar beten in ons hoekje. Om drie uur ‘s nachts had ik er eentje in de zak. De haak had deze keer gelukkig wel zijn werk gedaan en een lederachtige spiegel waarvan de vinnen precies gesmolten waren en de huid als schuurpapier aanvoelde lag niet veel later in de kant te wachten op het eerste ochtendlicht.

De rest van de nacht bleef het verdacht stil bij ons beiden, op een paar lijnzwemmers na. We moesten vroeg weg zijn om de crossing te halen en tegen 7u stonden we gereed om te vertrekken. Nog een laatste blik en klik in het zachtgefilterde ochtendlicht en de spiegel kon terug alvorens wij opnieuw onze doemtocht aanvatten, over het bruggetje des doods naar onze van. Zoals we nu al gewend waren, kwamen we opnieuw doornat van het zweet aan. Deze keer echter wachtte een zes uur durende terugrit op ons, in een auto zonder airco, shite! Bij het inladen kwamen we een kopie van Front magazine tegen, met ezelsoren ondertussen, en gaven deze aan een ouwe jongen die naast ons geparkeerd stond. Zijn ogen schitterden en na een goede discussie in gebroken Engels over schaargeklede meiden met tattoeages zetten we zeil richting UK.

Eens te meer werd die terugrit gekenmerkt door nog meer plannen, trips en avontuur. Hoewel geen van ons beiden reeds een thirty op de mat had gehad, was het voor elk van ons de meest vermakelijke en spannende visserij in tijden geweest. En hoewel we het topje van de ijsberg zelfs nog lang niet hadden gezien, waren we ons bewust van de mogelijkheden die voor ons lagen. Het potentieel was gewoon overweldigend. Geen wonder dat gasten als Fuzzy geen greintje zin hadden om het bij ons thuis nog uit te zitten.

In december stonden we er terug, ook al was de helft dichtgevroren. Ik was erin geslaagd mijn ontvanger thuis te laten liggen, het begin van een heel onorthodoxe trip eigenlijk. Ik had even met het idee gespeeld om een stuk nylon tussen mijn lijn en Meeky’s hangers te knopen, maar bedacht me uiteindelijk. De kans op een beet op een deels bevroren put midden in de nacht was toch erg miniem. Al kreeg ik wel een lijnzwemmer, dat was zowat het hoogtepunt. De volgende lente zouden we opnieuw komen en het kon niet snel genoeg zijn.

 

April. Ik begon het gevoel al redelijk gewend te raken; nogmaals sloeg mijn hoofd op hol van de duizeligmakende effecten van vermoeidheid na acht uur lesgeven, zes uur rijden en zo goed als vierentwintig uur zonder slaap. Het was al bijna vier uur in de morgen wanneer we arriveerden op de parkeerplek. Konijnen zetten het langs alle kanten op een lopen en zodra ik de lichten doofde en de motor afzette, was het weer kalm op de wereld. Of toch voor even. Het was die bewuste aprilmaand al uitzonderlijk warm geweest voor de tijd van het jaar en alhoewel het nog zo vroeg was vulde de warme, drukkende lucht mijn neusgaten terwijl ik de benen strekte. Ongelooflijk maar waar, maar alvorens we ook maar iets tegen elkaar gezegd hadden, hoorden we de onmiskenbare echo van een gigant die in de verte, ver weg tussen de bomen door, gesprongen had. Ik keek naar Benji met een brede grijns op mijn gezicht. “Told you.” We bleven nog een paar minuten aan de grond genageld staan, maar er volgende niets meer.

We trotseerden de duisternis, in de hoop er nog een paar te horen, ons snel te kunnen opzetten en een paar uur slaap te vatten met de hengels te water. Maar ondertussen wisten we al dat beslissingen nemen zwaar kut is als je te maken hebt met een nijpend slaaptekort. Na twee uur ronddolen in de duisternis tot we de silhouetten van de bomen reeds konden ontwaren, waren we nog niets wijzer geworden. Geen enkele vis meer, ondanks het vroege sein dat we gekregen hadden. We wisten dat enkel sterke koffie, met bakken, de enige optie was om de komende uren door te komen aangezien we nu geen enkele kans wilden missen om vissen bij eerste licht te zien rollen. Dan maar opnieuw naar de van achter ons materiaal, daarna terug de lange tocht naar het water, waarop we ons op een klein schiereiland op onze bedden neerploften. Geen andere vissers in de buurt, enkel twee kleine Engelsen, helemaal alleen in het midden van nergens. Het was rond halfnegen toen we pas de eerste vis zagen, kort daarna gevolgd door nog een en nog een… De bedden werden opgevouwen en op de kar gegooid. Op naar een volgend avontuur.

Gaz

 

Leave a Reply