De bel gaat en voor één keertje ben ik bijna even snel buiten als mijn leerlingen, mijn handen nog steeds volledig onder de verf en mijn kop gonzend van een ganse dag lesgeven. Ik had echter een afspraak met de vrijheid, míjn vrijheid, en ik kon niet wachten. De planning was strak: maar liefst anderhalf uur had ik nodig om langs overvolle wegen thuis te raken, daarna moest ik nog de bestelwagen vullen want daar was ik afgelopen avond niet aan toegekomen, mijn aas uit de diepvriezer niet vergeten, om vervolgens naar Southampton te tuffen om Meeky op te pikken. Daar ook weer zijn materiaal erin duwen en ons over de helse M25 worstelen om op tijd in Folkestone te raken aangezien ik in al mijn enthousiasme weer eens de vroegst mogelijke oversteek had geboekt. Zoals steeds, hadden we ook nu weer in de voorafgaande weken in alle geuren en kleuren gefantaseerd over deze moordsessie. Dit terwijl we de uren doodden op ons syndicaatwater in een vergeefse poging om ook maar één beet te krijgen. Uitgeblust en doodverveeld van het telkens maar op dezelfde stekken uit te zitten. Van het alsmaar diezelfde spots te bevissen. Het was allemaal een beetje ál te voorspelbaar geworden. De buzz was er al een tijdje niet meer, hoe hard ik die ook probeerde te vinden, of hoe hard ik er probeerde tegen te vechten. Omdat mijn vistijd de laatste jaren alsmaar schaarser is geworden, voel ik er steeds minder voor om het gewoon uit te gaan zitten. De zin om grote, donkere jongens te vangen daarentegen was niet in het minst geslinkt, maar wat ik daarvoor onderweg moet opofferen of zien te dulden, neen dank je… Rust en avontuur zoeken en vinden is tegenwoordig een grotere prioriteit voor me, veeleer dan weer de zoveelste overbekende targetvis van het lijstje schrappen. Verder kijken dan je neus lang is, dat is wat ik onder impuls van de belevenissen van mijn makkers Nick, Fuzzy en Trev tracht te doen. Zij schuwen er niet voor om gewoon voor vier nachtjes op misschien wel vijf waters te vissen en daarbij zo maar eventjes makkelijk 2.500 kilometer af te leggen. Eindeloos grauwe kanalen trotseren ze, met tussen hun compromisloze parallelle betonnen oevers misschien maar enkele getekende stokoude giganten. Mijlenlange geïndustrialiseerde rivieren, rookspuwende bedrijven en ellenlange Hollandse vrachtschepen. Warmwaterspots, loden van 400 gram, kristalhelderde Alpijnse puurheid, intieme parkwaters… Indianenverhalen, onsamenhangende geruchten en doodlopende sporen. Alles en overal, en toch ook weer niets en nergens.

Hoewel hun trips niet altijd zakken vol biggen opleveren, vervelen hun verhalen nooit ofte nimmer. Over de plas vissen heeft in Engeland altijd al een beetje een stigma gekend, alsof Europese karpers op de een of andere manier minder waard zijn dan onze ‘eigen’ Engelse vissen. Een beeld dat mede aangescherpt werd door de zwakke en eenzijdige media. Behalve de megaslachtpartijen op Cassiën en Rainbow en, in een ver verleden, toen Orient en Du Der naar buiten werden gebracht, krijg je in de Engelse bladen niks anders dan betaalwaters vol bleke, vaak gestolen karpers te zien. En net dat is waarom vissen in Europa hier vaak aan een scheefgegroeide pretparkrealiteit doet denken. De harde, trieste waarheid is echter dat er heel wat ooit schitterende en maagdelijke openbare putten en rivieren nu haast leeggeroofd zijn, dit vaak door georganiseerde ‘teams’ die deze instant visserijen voor luie Engelse vakantievissers moeten voeden. De schoonste en wildste karpers weggetrokken uit de wildernis, uit hun omgevingen waar druk ongekend is, om respectloos gedumpt te worden op betaalwaters en daar de makkelijke prooien te worden van zij die nood hebben aan een even makkelijke trofee en bereid zijn daarvoor grof geld te betalen.

Ik moet grif toegeven: voor ik enkele jaren terug met mannen als Luc De Baets en Geert Ooms aan de praat raakte, beiden erg onderlegd en ervaren als het op het Europese gebeuren aankomt, was ik beschamend genoeg niet op de hoogte in welke mate rivieren en ander openbaar water gepiratiseerd zijn om deze betaalvakantievisserij in stand te houden. Als Engelse visser op het vasteland voel ik me diep intriest en beschaamd voor het feit dat wij grotendeels verantwoordelijk zijn voor wat hier gebeurd is. Vandaar ook de titel van deze blogreeks en waarom ik ook echt heel voorzichtig ben met eender welk detail over waar we allemaal gevist hebben. Niet zozeer omdat het geheim is, we hebben ook het nieuwe paradijs niet gevonden. Er is zelfs nog zoveel meer te ontdekken en er zwemmen nog dikkere vissen in de buurt van waar we nu geweest zijn, maar puur uit respect voor de locals die hier jarenlang reeds relatief op hun dooie gemak hun ding kunnen doen en ons toch met open armen ontvangen hebben, ons tips en advies gegeven hebben en ons vaak in de juiste richting gewezen hebben. Meer dan één vriendelijk gezicht die ons op een koude avond gezelschap heeft gehouden, maar ook jongens die zeker niet zitten te wachten op bussen Engelsen aan hun deur op zoek naar een nirvana dat eigenlijk niet bestaat.

Ik had ooit al eens op het bekende Kempisch Kanaal gevist, maar het was pas toen we een last minute trip met Gio bespraken dat we deze shit echt werd. Een gat in de nacht was het toen we Gio’s grijze kasseistraatje in Oostende binnenreden. De slaapsuffe Belg liet ons binnen en verwelkomde ons in zijn woonkamer waar we de nacht zouden doorbrengen in onze bedchairs en met Gio’s katten. Eentje had precies een zwak voor Meeky’s slaapzak, ik verkneukelde me er enorm om. De volgende morgen, na een rondrit langs enkele lokale putten en kanalen deden we de volgende vier dagen niets anders dan winkels zoeken die ofwel melk, of frietjes met mayo verkochten… en onderweg vingen we nog een paar knappe vissen ook. We visten onder de straatlichten van een groot parkwater, op een moeraseilandje in een intiem reservaatje boordevol obstakels, en vanuit onze bestelwagen langs de weg naast een historisch oud stukje kanaal. Die vier dagen bleken achteraf gezien meer avontuur dan het overgrote deel van afgelopen seizoen thuis was geweest! Ik was verk(n)ocht. Hoewel we enkele duwtjes in de juiste richting hadden gekregen, toch wisten we nog steeds heel erg weinig en net dat was het beste deel van het verhaal. Het feit dat we niet wisten welke spots goed waren, wie nu de beste visser was, of wat er precies rondzwom op de plekken waar we gevist hadden. Alles was vers en nieuw en plots leefde mijn visserij herop. Tot dan toe had ik me gewoonweg nog niet gerealiseerd hoe doods het geworden was.

We keerden die novembermaand terug met een compleet natte zooi van een intense nacht op het reservaatje. Het was er erg ruw en rauw geweest en we waren doordrongen van een koude die ons op het moeraseiland bekropen had, maar Gio’s staalgrijze middertigponds volschub en mijn vangst van een eikenbruine puzzelschub zaten nog vers in ons geheugen. Het enige waar we het op de terugweg nog over hadden, was over meer trips zodra de winter voorbij zou zijn. Jammer genoeg was het dat volgende voorjaar nog steeds erg koud, met bijtende oostenwind. Onze vroege trip in maart was dan ook tevergeefs. Het parkwater zag er al even doods uit als een zak vol verdronken koeten, en hetzelfde was ook het geval op het kanaal waar we het meeste van onze tijd doorbrachten, lekker warm ingepakt stevige maaltijden vanuit de achterkant van mijn bestelwagen bereiden. De motor draaiende, muziekje op en de tijd aan het doden met verhalen, schunnigheden en de hang naar betere dagen. Gelukkig was het gezelschap opperbest: Meeky en Beadle gaan nooit vervelen en hun halfslachtige pogingen om omstreeks 3u op een ijskoude morgen na een dialezing waarbij de Duvel rijkelijk vloeide de hengels te water te krijgen was gewoonweg onbeschrijfelijk. Te weten dat we om 9u alweer onderweg moesten zijn om onze oversteek te halen. Gelukkig redde Gio ons die morgen bij het eerste licht met een grote zak boterkoeken en na wat sandwiches met hesp en thee waren we terug op de wereld, of vaagweg ergens toch.

Tegen dat het augustus was, bruisten we van verlangen. Zeker dat er meer van die knoestige, chocoladebruine jongens op ons wachtten. Uitwerpen zou een academisch kunstje moeten worden. Het plan was immers om in het donker te arriveren, om twee uur ‘s nachts als het verkeer niet te druk was en ik niet in slaap zou vallen. Bij aankomst besloten we in het park rond te wandelen, op zoek naar springende vissen, daarna een paar choddies uitwerpen, wat slaap pakken, om gewaakt te worden door een visje of twee on the end… Het leek simpel. Nog voor we de straten van Southampton uit waren hadden we het al over zakken vol grote, zwaarbeschubde mastodonten naast elkaar, wachtend op hun fotosessie… Een mens mag toch hopen en dromen, en we waren nog het meest van al opgewonden door het feit dat we opnieuw enkele dagen naar onbekend terrein gingen. De realiteit? Na mijn vroege start om 6u op het werk en na 22u wakker te zijn, kon ik haast mijn ogen niet meer open houden toen we arriveerden in de met graffiti besproeide, ietwat sketchy aandoende parking die duidelijk gebruikt werd voor dubieuzere activiteiten dan wat het stadsbestuur er voor ogen mee had. Ik zette de motor af en we stapten de bedompte nacht in. In de verte hoorden we stemmen en luid gelach. Dit park is berucht voor praktijken die het daglichten niet mogen zien, we waren op onze hoede. Al snel werd duidelijk dat we ons eigenlijk geen zorgen hoefden te maken. Een minuut of vijftien zaten we te luisteren naar dronkenmanspraat en –gelach, naar het getier van een groepje skinny dipping meiden, die van de dam sprongen om in de inktzwarte duisternis te verdwijnen… Jammer dat de straatlichten toen net niet sterk genoeg waren.

Twee rondjes om het parkwater en nog eens drie raaskallende groepjes feestneuzen verder hadden we nog steeds geen enkel idee waar de karpers zich schuilhielden Het glasvlakke, kalme sop wilde maar niets prijsgeven en uiteindelijk nam de vermoeidheid het over van de vurige wens om er eentje te vangen. Onze bedchairs kwamen dus verstopt op een miniem spotje te staan om een paar uurtjes een uiltje te kunnen knappen. Spijtig dat geen van ons beiden muggenmelk had meegebracht want we ontwaakten met ontstoken oogleden. Erger nog, ik zag eruit als een puber vol puistjes en zelfs handsome Dave zag er voor een keertje niet meer zo best uit.

Gedurende de twee volgende nachten kregen we allerhande midzomerse parkpraktijken te verduren: Meeky brak een hengel, twee pedalootjes bestuurd door dronken gasten crashten recht op onze stek en bijna hadden we zodoende nog meer onbruikbaar carbon, ik haakte ei zo na een zwemmer van het ondiepe plateau waarop ik zat te vissen, zich niet bewust van de maat 5 Chodda die paraat stond om ‘m in zijn enkel te prikken, een snoekvisser pikte mijn lijnen op, een bende van wel twintig kanoërs peddelde helemaal vrolijk zomaar door al onze lijnen, waarbij we bijna een nietsvermoedende twaalfjarige onthoofdden. Verder hadden we enkele incidentjes met honden en een groepje wielrenners was ook van de partij. ‘s Nachts kregen we met nog meer groepjes dronkaards en andere vreemde figuren af te rekenen dus veel slaap viel er niet te rapen. Maar hoewel het deze keer niet rustig was, die buzz was er wel weer!

Door alle chaos heen wisten we er gelukkig een paar te vangen. Geen massieve beesten, maar stuk voor stuk mooie chocolaatjes. Na twee nachtjes zonder slaap besloten we er de brui aan te geven en nieuwe oorden op te zoeken, meerbepaald een stukje kanaal waarover we getipt waren. Als rust en stilte hetgeen waren wat we zochten, dan konden we door Gio op geen slechtere stek neergepoot zijn.

Gaz

Leave a Reply