Ik dacht aan Tonnie, Cees, Aad, Roald en Luc… Nu begreep ik ze. Ik dacht er aan om ook voorgoed de hele kak gedag te zeggen. Me ervan te distantiëren. Over met die mentaal moordende sleeppartijen. Over met heel die berg zooi. Over met die uren en dagen. Alleen, zonder actie. Dat gehang, dat gedenk, dat gepieker, dat geknars. De ergernis, de complicaties. Het gemierenneuk er omheen, het gezever er over, het gedoe er om, al dat gedoe voor al dat gedoe. Vaarwel? Over en uit? Ik haatte het.

Zoals te lezen viel in MC #5 redde de Robin Hood van het zoete water me. Hij stal mijn hart om het me weer terug te kunnen geven. Hij stal iets om het te kunnen schenken, hij nam wat mee voor deze zwakkeling. Hij bracht iets, teweeg.

Achtentwintig februari stopte mijn doodaasseizoen. We hadden er tien die dag. Toen mijn maat de boot op de trailer lierde, voelde ik wéér die emotie, maar dan anders. Tegenovergesteld. Een traan. Het is over. Je mag niet meer, je kunt niet meer. M´n snoeken, m´n lieve snoeken. Hier houdt het op. Daar stond deze sentimentele klootzak dan zijn emoties weg te roken en te bijten zodat zijn maat niets zou merken van de intens diepe beleving van mijn visserij. Niet dat ik me schaam, maar een vent is en blijft een vent. We reden weg, ik keek nog eens om. Fuck…

Zwart gat. Diep zwart gat. Alweer…

Weer karperen? Weer al die boilies maken? Weer slepen met die ballast? Weken, nee maanden liep ik met mijn ziel onder de arm. Pas in juli ontdekte ik weer waar ik thuis hoorde en wat ik toen flikte, had ik nooit van mezelf verwacht. Hoeveel kilo’s hebben Ries (you know who you are) en ik staan spuiten en rollen. Hoeveel voerde ik met Duitse discipline? Hoeveel keer fietste ik de Elfstedentocht? Waar haalde ik het vandaan? De flow was terug.

Ik bleek er weer energie voor te hebben. Toegewijd en met liefde, geen moeite sparend. En ik ving ze ook nog. Eén keer werd me dat bijna fataal. Een bolbliksem klapte tijdens een enorm onweer sissend op mijn plu. Ik lag op mijn stretcher. Gelukkig was de hele plu bedenkt met een dun laagje water door de enorme hoosbui. Lasogen, tintelingen overal, ploppende oren. The ultimate warning. Don’t go too far… Op de parking schoot er ook nog eens een haak van de trolley, zo in mijn rechteroog. Tranen van ongeluk… Hoe moet ik nu ooit nog fotograferen? Drie dagen zag ik dichte mist. Gelukkig kwam het goed. Lucky again.

Inmiddels zie ik weer volop karperlicht en de eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik nu, net in januari van een nieuw jaar, midden in het doodaasseizoen, karperjeuk krijg. Ik wil die drie afstandspoken fier overeind zien pronken in de ruigte, hun lijnen ver uitstekend de oneindigheid in. Ik wíl weer waden, ik wil weer voeren, ik wil weer.

Een jong hert dartelt het leven tegemoet, een veulen trapt in de wei, een jong vogeltje slaat zijn vleugels uit. Back carping, maar het scheelde geen haar.

Wees vrij en leef.

Willem Barnas

Meer van dit moois van Willem Barnas lezen? In het pas verschenen MC#5 brengt hij ons met het erg pakkende Tussen de Kaken het schoonste wat over de essentie van het vissen te lezen is, aldus Luc De Baets himself.

3 Comments

  1. Mama J.

    Zoals jij alles in woorden weet te vangen, is een talent, Willem. Pakkend en mooi!

  2. Chris Castle

    Mooi Willem,

    Niet dat ik anders van je gewend ben dan deze kwaliteit… Voelen, buiten zijn moet je voelen!!

Leave a Reply