Archive for “September, 2014”

This is Nowhere, pt. II

Tussen het kanaal en de megadrukke baan zat hoogstens anderhalve meter en iedere keer er een truck voorbijkwam duwde het voorbijgeraas onze lichte brollies gewoon plat! Het was precies of we waren langs de M3 aan het vissen, niet normaal… Zover onze ogen konden zien, zowel links als rechts, was er niets anders dan mijlenlang kanaal. Een geïndustrialiseerde, betonnen bak. Yates zou het niet beter verzonnen kunnen hebben. De perfecte karperstek, ow yeah!

Het was reeds middernacht toen alles opgezet was. We visten beiden met slechts een hengel en tegen tien uur de volgende morgen hadden we zo’n vijftien aanbeten gehad. Om eerlijk te zijn, we waren de tel verloren. Hoeft het gezegd dat we die ochtend doodop waren? Als het de trucks niet waren die ons uit onze slaap hielden, dan waren we druk in de weer om boze kanaalkarpers van vijf voet hoog in het net te proberen loodsen. Een kruisnet ware hier handiger geweest… De visserij kon hier niet simpeler zijn: al wat we hoefden te doen was onze rigs een voet uit de kant laten afzakken, gevolgd door een handvol vismeelknikkers. De beten kwamen binnen de vijftien minuten, heel af en toe maximum een uur, maar komen deden ze. Net voor we inpakten kwam een man die van kop tot teen in witte labokledij getooid was op ons af om een waterstaal te nemen met vrij indrukwekkende science fiction apparatuur, dit recht op de plek waar Meeky’s haakaas gepositioneerd was. Hij gaf ons een blik alsof wij de rare snuiters waren, om daarna terug te keren naar de allesbehalve vriendelijk ogende fabriek aan de andere kant van de weg. De rest van de dag in temperaturen van 28 graden spenderen op een plek die beter als vluchtstrook had gediend, was noch Meeky’s noch mijn idee. Kort daarna pakten we weer in, om opnieuw vaart te zetten naar een plekje waar het volgens intimi een pak rustiger zou zijn. En ook met veel minder beton.

Na een paar uurtjes rondrijden, op zoek naar een laan zonder naam met onze gps als Google Earth substituut op zoek naar de kleine blauwe stipjes, vonden we uiteindelijk de putten. Nog ’s dertig minuten wandelen en klauteren later vonden we dat blauw waar wij op zoek naar waren. Alsof die tocht nog niet eens genoeg was, was er ook tijdsdruk. De oranje gloed van de zon was al te zien, zwermen vliegen en muggen begonnen de kalme augustuslucht te vullen en we wisten dat het licht snel zou uitgaan. We hadden al vier nachten nog niet echt kunnen slapen, en verteerd door de muggen begonnen onze zweterige, hongerige en uitgedroogde lichamen op ons humeur te werken. Maar toen er eentje recht voor ons boeggolfde in het obstakelhoekje waar we op de uitkijk stonden, waren we er terug met onze hoofden bij.

We baanden ons een weg terug naar onze van, en alsof we nog maar net fris aangekomen waren, gooiden we de twee karrenvrachten gestroomlijnde uitrustingen op een enkele barrow en togen over het bruggetje des doods de bossen in, richting het weggemoffelde hoekje waar de reuzen verbleven… of dat hoopten we toch. Dertig minuten later waren we er, de armen verzuurd, de benen brandend. Maar we waren er. Al was het maar om ons meer hoop te geven, en ons nog maar een beetje te doen spoeden; opnieuw crashte er een vis, nu iets dieper in het hoekje. Meeky knoopte enkele kakelvese choddies met olierijke rooie popups en flikkerde ze zo goed als recht midden in de golven die de rollende vis veroorzaakt had. Ik viste vanuit een klein gaatje iets meer naar rechts toe, met een enkele hengel tegen een echt obstakelbosje in de kant, met daarop twintig rode vismeelknikkers in zalmolie. Wist ik nu maar waar mijn schepnet was, maar met Meeky op nog geen drie meter van me kon er geen probleem zijn. En om eerlijk te zijn: we waren zo laat gearriveerd,  hadden alles in een rush opgezet en met zo’n slok water voor onze neuzen leek de kans op een beet vrij verwaarloosbaar. Het enige dat we eigenlijk wilden was wat slaap inhalen. Zodra de zon achter de horizon verdwenen was, en na enkele theetjes, lagen we te knorren.

Het volgende dat ik me herinner is dat ik wakker werd van een rode led en het geluid van lijn die van een potdichte slip getrokken werd, dat het haalde bovenop het geluid van mijn muffled ATTX ontvanger die ik bewust stil gezet had. Bij de eerste run pakte de vis meteen een meter of vijfentwintig en ik schreeuwde zo luid ik kon om Meeky. Niks.

 “Meeeeeeeeeeek, Meeeeeeeek, Meeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeekyyyyyyyyy!!!!!!”

Niks. Nieuwe poging. Zelfde verhaal. De arme ziel, uitgeteld, dood voor de rest van de wereld. Ondertussen won ik lijn en, zonder net, was ik mijn opties aan het overwegen. Nee, er waren er geen, behalve dan de vis met de hand landen en ‘m op mijn bedchair en slaapzak leggen. Ik zag mijn kansen zienderogen slinken. Nog tien meter uit de kant kwam hij aan het oppervlak, van link naar rechts ploegend. Het was nu of nooit en zodra hij draaide en weer lijn begon te pakken, zette ik de slip minder vast en plaatste de hengel opnieuw in de steunen. Op goed geluk. Strompelend door het struikgewas tussen onze stekken ontwaakte Meek uiteindelijk al roepend en tierend, in de waan dat iemand zijn materiaal aan het pikken was. Ik pakte zonder twijfelen zijn net beet en zette het op een lopen in de duisternis. Uiteraard stomweg met het net voorop, dat al meteen kwam vast te zitten in een boom. Ik kon mijn spoel nog steeds horen tikken en het ledlampje bleef schijnen, de vis zat er dus nog steeds aan. Om een lang verhaal kort te maken: de vis loste de haak uiteindelijk vlak voor het net… Ik had ‘m nochtans uit een wierbed weten te halen, over het obstakel waar ik ‘m in eerste instantie haakte, de lijn daarbij hevig schurend en juist toen hij voor het net wat ploeterde viel de haak eruit. Ik voelde me verslagen en de oververmoeidheid deed er niet veel goeds aan. Het voelde ook nog eens een beste vis en we wisten dat hier gewoon erg knappe karpers rondzwommen. Op de een of andere manier voelde het gewoon onterecht om die vis op zo’n lullige manier te verspelen.

Wanneer Meeky er bij het ochtendgloren ook een loste zag het ernaar uit dat ons geluk op was. Maar ontwaken in the middle of nowhere, omgeven door bos en oude bomen was wel een meer dan mooie beloning voor onze inspanningen. Karper of geen karper. Die morgen konden we bij een kopje thee wel lachen om de nachtelijke gebeurtenissen, en nadat we eindelijk wat slaap hadden gehad, voelden we ons opnieuw wat meer mens.

Die dag leek niet te eindigen: te warm en kleverig, maar ook opvallend stil. Hoewel we wat rondneusden, waren we niet zinnens om ons materiaal lang alleen te laten. In deze regio waren diefstallen bij vissers schering en inslag en we wisten niet eens zeker of we wel mochten vissen waar we verstopt zaten. Ons zo gedeisd als mogelijk houden was dus de boodschap wilden we de volgende nacht opnieuw kans maken op een paar beten in ons hoekje. Om drie uur ‘s nachts had ik er eentje in de zak. De haak had deze keer gelukkig wel zijn werk gedaan en een lederachtige spiegel waarvan de vinnen precies gesmolten waren en de huid als schuurpapier aanvoelde lag niet veel later in de kant te wachten op het eerste ochtendlicht.

De rest van de nacht bleef het verdacht stil bij ons beiden, op een paar lijnzwemmers na. We moesten vroeg weg zijn om de crossing te halen en tegen 7u stonden we gereed om te vertrekken. Nog een laatste blik en klik in het zachtgefilterde ochtendlicht en de spiegel kon terug alvorens wij opnieuw onze doemtocht aanvatten, over het bruggetje des doods naar onze van. Zoals we nu al gewend waren, kwamen we opnieuw doornat van het zweet aan. Deze keer echter wachtte een zes uur durende terugrit op ons, in een auto zonder airco, shite! Bij het inladen kwamen we een kopie van Front magazine tegen, met ezelsoren ondertussen, en gaven deze aan een ouwe jongen die naast ons geparkeerd stond. Zijn ogen schitterden en na een goede discussie in gebroken Engels over schaargeklede meiden met tattoeages zetten we zeil richting UK.

Eens te meer werd die terugrit gekenmerkt door nog meer plannen, trips en avontuur. Hoewel geen van ons beiden reeds een thirty op de mat had gehad, was het voor elk van ons de meest vermakelijke en spannende visserij in tijden geweest. En hoewel we het topje van de ijsberg zelfs nog lang niet hadden gezien, waren we ons bewust van de mogelijkheden die voor ons lagen. Het potentieel was gewoon overweldigend. Geen wonder dat gasten als Fuzzy geen greintje zin hadden om het bij ons thuis nog uit te zitten.

In december stonden we er terug, ook al was de helft dichtgevroren. Ik was erin geslaagd mijn ontvanger thuis te laten liggen, het begin van een heel onorthodoxe trip eigenlijk. Ik had even met het idee gespeeld om een stuk nylon tussen mijn lijn en Meeky’s hangers te knopen, maar bedacht me uiteindelijk. De kans op een beet op een deels bevroren put midden in de nacht was toch erg miniem. Al kreeg ik wel een lijnzwemmer, dat was zowat het hoogtepunt. De volgende lente zouden we opnieuw komen en het kon niet snel genoeg zijn.

 

April. Ik begon het gevoel al redelijk gewend te raken; nogmaals sloeg mijn hoofd op hol van de duizeligmakende effecten van vermoeidheid na acht uur lesgeven, zes uur rijden en zo goed als vierentwintig uur zonder slaap. Het was al bijna vier uur in de morgen wanneer we arriveerden op de parkeerplek. Konijnen zetten het langs alle kanten op een lopen en zodra ik de lichten doofde en de motor afzette, was het weer kalm op de wereld. Of toch voor even. Het was die bewuste aprilmaand al uitzonderlijk warm geweest voor de tijd van het jaar en alhoewel het nog zo vroeg was vulde de warme, drukkende lucht mijn neusgaten terwijl ik de benen strekte. Ongelooflijk maar waar, maar alvorens we ook maar iets tegen elkaar gezegd hadden, hoorden we de onmiskenbare echo van een gigant die in de verte, ver weg tussen de bomen door, gesprongen had. Ik keek naar Benji met een brede grijns op mijn gezicht. “Told you.” We bleven nog een paar minuten aan de grond genageld staan, maar er volgende niets meer.

We trotseerden de duisternis, in de hoop er nog een paar te horen, ons snel te kunnen opzetten en een paar uur slaap te vatten met de hengels te water. Maar ondertussen wisten we al dat beslissingen nemen zwaar kut is als je te maken hebt met een nijpend slaaptekort. Na twee uur ronddolen in de duisternis tot we de silhouetten van de bomen reeds konden ontwaren, waren we nog niets wijzer geworden. Geen enkele vis meer, ondanks het vroege sein dat we gekregen hadden. We wisten dat enkel sterke koffie, met bakken, de enige optie was om de komende uren door te komen aangezien we nu geen enkele kans wilden missen om vissen bij eerste licht te zien rollen. Dan maar opnieuw naar de van achter ons materiaal, daarna terug de lange tocht naar het water, waarop we ons op een klein schiereiland op onze bedden neerploften. Geen andere vissers in de buurt, enkel twee kleine Engelsen, helemaal alleen in het midden van nergens. Het was rond halfnegen toen we pas de eerste vis zagen, kort daarna gevolgd door nog een en nog een… De bedden werden opgevouwen en op de kar gegooid. Op naar een volgend avontuur.

Gaz

 

The harder they fall

Voor de KWO rotary met als titel ‘Brollywood’ schreef onze editor volgende bijdrage, we wilden hem u alvast hier niet onthouden. Voor de volledige Rotary met de bijdragen van Roderick Langeveld en Sjef van den Hoof surft u naar www.karperwereld.nl.

Karpervissen voor de fame, het verliezen van de essentie. Wat ik daarvan vind? Tja, met een duidelijke No Fame baseline die we van dag 1 met Monkey Climber zeilen, is dat meteen duidelijk dacht ik zo. Al zullen criticasters en groene monstertjes links en rechts en vooral achter hun toetsenbord dat wel afdoen als een slinkse marketingzet…

Eerst en vooral: tonnen respect voor (B)roderick Langeveld, degene die met deze Brollywood rotary op de proppen kwam. Moet u zich voorstellen: tot voor kort had Rodie álles wat velen in dit wereldje ambiëren. Dikke bakken, een goed profiel, artikels in de blaadjes én… tal van sponsors die hem bergen materiaal toestu(urd)en. Grif toegegeven, dit is natuurlijk sterk overdreven, maar helaas wel realiteit van hoe velen het zien, of opkijken naar iemand met een beetje ‘naam’. Om dan zelf alles zomaar overboord te gooien en die weldoeners vaarwel te zeggen zoals Roderick gedaan heeft, bewijst volgens mij enkel maar dat hij het karperhart op de goede plaats heeft. En ook dat hij over een stevig stel ballen beschikt. Tot dusver deze bromance, want ik ken de brave jongen trouwens maar even goed of slecht als u en sprak ‘m hoogstens een handvol keer. Wel maakten hij en z’n makker Ronald een top sfeerartikel over een Zuid-Afrikaans avontuur voor onze laatst verschenen editie MC#6, een ware aanrader!

Wat is dé essentie dan? Voor mij zijn dat sfeer, de beleving en de vele vriendschappen, en als ik onderweg een karper of twee kan vangen is dat mooi meegenomen. De eerste drie staan los van het laatste, maar dat laatste staat niet los van die eerste als u begrijpt wat ik bedoel. Voor u, beste lezer, ligt dat misschien helemaal anders en wie ben ik om te zeggen of dat nu goed of slecht is. Alleen… als je niet kan genieten, waarom doe je het dan? Als u ooit dood bent, ligt niemand wakker van welke vissen u gevangen heeft en van wie of wat u wel niet bent. Hier rust Korneel Karperjutter, 196 scenepoints met 39 fortys… De aandachtige lezer leest het goed: het zijn er inderdaad 5 per veertiger en niet 4 of 6 zoals er vele snodaards de boel willen bedoezelen. Voorgaande geldt trouwens niet alleen voor dit kleine wereldje, maar – bij uitbreiding – evenzeer in de grote buitenwereld voor zij die verder kunnen kijken dan hun ‘karperkleppen’ (thx voor deze laatste, Luc C.).

Sfeer en beleving zijn sowieso de drijfveren waarom we in 2010 Monkey Climber magazine zijn opgestart. Om die schijnbaar verloren essentie terug meer op de voorgrond te plaatsen, en dit zonder te prediken. Not here to judge, maar een frisse, positieve boodschap binnen de scene laten waaien. Want, als je houdt van wat je doet, dan kan je dat enkel maar bejubelen, toch!? Precies daarom ga ik deze bijdrage ook niet afsluiten met een hoop gezanik over right or wrong.

‘Die Gio, wat is die naïef man.’ Kan zijn, maar toevallig lag ik net een reactie van SKP-man Filip op een post van VBK-voorzitter Mark Hoedemakers: ‘Of in 1995 álles dan zo schitterend was!?’ Wel, grif toegegeven, die huidige old school hang naar vroeger-was-alles-beter waar wij ongetwijfeld met MC een hand in hebben gehad was ook niet alles. Midden jaren ’90 waren er ook al pijnpunten, voor- en tegenstanders van betaalwaters, enduro’s en lensdrukken. En aan de waterkant waren er toen ook al aanvaringen zat. De topics liggen nu misschien anders – dat shinen is zeker géén nieuwtje hoor, wel de manier waarop door sociale media e.d. – maar in realiteit is er niets veranderd. Behalve dan dat er een PAK meer karpervissers zijn als toen en de verschillen dus vaak nog mijlenverder uit elkaar liggen dan ooit. En als ik dan toch een goedbedoelde tip aan die hedendaagse superheroes mag meegeven: The harder they come, the harder they fall!

Keep the Faith,

Gio

Au risque d’être libre

Gilles Lambert, one of our inspirations to start out with Monkey Climber magazine and who has now become a close friend, has been back on the wild banks last Summer after nearly two years of no fishing. The latter because he was so sick of how today’s scene is evolving in a bad way… We hope you find your freedom and your liberty again, but judging from this great vid you just did!

Au risque d’être libre from Redrec Film on Vimeo.

This is Nowhere, pt. I

De bel gaat en voor één keertje ben ik bijna even snel buiten als mijn leerlingen, mijn handen nog steeds volledig onder de verf en mijn kop gonzend van een ganse dag lesgeven. Ik had echter een afspraak met de vrijheid, míjn vrijheid, en ik kon niet wachten. De planning was strak: maar liefst anderhalf uur had ik nodig om langs overvolle wegen thuis te raken, daarna moest ik nog de bestelwagen vullen want daar was ik afgelopen avond niet aan toegekomen, mijn aas uit de diepvriezer niet vergeten, om vervolgens naar Southampton te tuffen om Meeky op te pikken. Daar ook weer zijn materiaal erin duwen en ons over de helse M25 worstelen om op tijd in Folkestone te raken aangezien ik in al mijn enthousiasme weer eens de vroegst mogelijke oversteek had geboekt. Zoals steeds, hadden we ook nu weer in de voorafgaande weken in alle geuren en kleuren gefantaseerd over deze moordsessie. Dit terwijl we de uren doodden op ons syndicaatwater in een vergeefse poging om ook maar één beet te krijgen. Uitgeblust en doodverveeld van het telkens maar op dezelfde stekken uit te zitten. Van het alsmaar diezelfde spots te bevissen. Het was allemaal een beetje ál te voorspelbaar geworden. De buzz was er al een tijdje niet meer, hoe hard ik die ook probeerde te vinden, of hoe hard ik er probeerde tegen te vechten. Omdat mijn vistijd de laatste jaren alsmaar schaarser is geworden, voel ik er steeds minder voor om het gewoon uit te gaan zitten. De zin om grote, donkere jongens te vangen daarentegen was niet in het minst geslinkt, maar wat ik daarvoor onderweg moet opofferen of zien te dulden, neen dank je… Rust en avontuur zoeken en vinden is tegenwoordig een grotere prioriteit voor me, veeleer dan weer de zoveelste overbekende targetvis van het lijstje schrappen. Verder kijken dan je neus lang is, dat is wat ik onder impuls van de belevenissen van mijn makkers Nick, Fuzzy en Trev tracht te doen. Zij schuwen er niet voor om gewoon voor vier nachtjes op misschien wel vijf waters te vissen en daarbij zo maar eventjes makkelijk 2.500 kilometer af te leggen. Eindeloos grauwe kanalen trotseren ze, met tussen hun compromisloze parallelle betonnen oevers misschien maar enkele getekende stokoude giganten. Mijlenlange geïndustrialiseerde rivieren, rookspuwende bedrijven en ellenlange Hollandse vrachtschepen. Warmwaterspots, loden van 400 gram, kristalhelderde Alpijnse puurheid, intieme parkwaters… Indianenverhalen, onsamenhangende geruchten en doodlopende sporen. Alles en overal, en toch ook weer niets en nergens.

Hoewel hun trips niet altijd zakken vol biggen opleveren, vervelen hun verhalen nooit ofte nimmer. Over de plas vissen heeft in Engeland altijd al een beetje een stigma gekend, alsof Europese karpers op de een of andere manier minder waard zijn dan onze ‘eigen’ Engelse vissen. Een beeld dat mede aangescherpt werd door de zwakke en eenzijdige media. Behalve de megaslachtpartijen op Cassiën en Rainbow en, in een ver verleden, toen Orient en Du Der naar buiten werden gebracht, krijg je in de Engelse bladen niks anders dan betaalwaters vol bleke, vaak gestolen karpers te zien. En net dat is waarom vissen in Europa hier vaak aan een scheefgegroeide pretparkrealiteit doet denken. De harde, trieste waarheid is echter dat er heel wat ooit schitterende en maagdelijke openbare putten en rivieren nu haast leeggeroofd zijn, dit vaak door georganiseerde ‘teams’ die deze instant visserijen voor luie Engelse vakantievissers moeten voeden. De schoonste en wildste karpers weggetrokken uit de wildernis, uit hun omgevingen waar druk ongekend is, om respectloos gedumpt te worden op betaalwaters en daar de makkelijke prooien te worden van zij die nood hebben aan een even makkelijke trofee en bereid zijn daarvoor grof geld te betalen.

Ik moet grif toegeven: voor ik enkele jaren terug met mannen als Luc De Baets en Geert Ooms aan de praat raakte, beiden erg onderlegd en ervaren als het op het Europese gebeuren aankomt, was ik beschamend genoeg niet op de hoogte in welke mate rivieren en ander openbaar water gepiratiseerd zijn om deze betaalvakantievisserij in stand te houden. Als Engelse visser op het vasteland voel ik me diep intriest en beschaamd voor het feit dat wij grotendeels verantwoordelijk zijn voor wat hier gebeurd is. Vandaar ook de titel van deze blogreeks en waarom ik ook echt heel voorzichtig ben met eender welk detail over waar we allemaal gevist hebben. Niet zozeer omdat het geheim is, we hebben ook het nieuwe paradijs niet gevonden. Er is zelfs nog zoveel meer te ontdekken en er zwemmen nog dikkere vissen in de buurt van waar we nu geweest zijn, maar puur uit respect voor de locals die hier jarenlang reeds relatief op hun dooie gemak hun ding kunnen doen en ons toch met open armen ontvangen hebben, ons tips en advies gegeven hebben en ons vaak in de juiste richting gewezen hebben. Meer dan één vriendelijk gezicht die ons op een koude avond gezelschap heeft gehouden, maar ook jongens die zeker niet zitten te wachten op bussen Engelsen aan hun deur op zoek naar een nirvana dat eigenlijk niet bestaat.

Ik had ooit al eens op het bekende Kempisch Kanaal gevist, maar het was pas toen we een last minute trip met Gio bespraken dat we deze shit echt werd. Een gat in de nacht was het toen we Gio’s grijze kasseistraatje in Oostende binnenreden. De slaapsuffe Belg liet ons binnen en verwelkomde ons in zijn woonkamer waar we de nacht zouden doorbrengen in onze bedchairs en met Gio’s katten. Eentje had precies een zwak voor Meeky’s slaapzak, ik verkneukelde me er enorm om. De volgende morgen, na een rondrit langs enkele lokale putten en kanalen deden we de volgende vier dagen niets anders dan winkels zoeken die ofwel melk, of frietjes met mayo verkochten… en onderweg vingen we nog een paar knappe vissen ook. We visten onder de straatlichten van een groot parkwater, op een moeraseilandje in een intiem reservaatje boordevol obstakels, en vanuit onze bestelwagen langs de weg naast een historisch oud stukje kanaal. Die vier dagen bleken achteraf gezien meer avontuur dan het overgrote deel van afgelopen seizoen thuis was geweest! Ik was verk(n)ocht. Hoewel we enkele duwtjes in de juiste richting hadden gekregen, toch wisten we nog steeds heel erg weinig en net dat was het beste deel van het verhaal. Het feit dat we niet wisten welke spots goed waren, wie nu de beste visser was, of wat er precies rondzwom op de plekken waar we gevist hadden. Alles was vers en nieuw en plots leefde mijn visserij herop. Tot dan toe had ik me gewoonweg nog niet gerealiseerd hoe doods het geworden was.

We keerden die novembermaand terug met een compleet natte zooi van een intense nacht op het reservaatje. Het was er erg ruw en rauw geweest en we waren doordrongen van een koude die ons op het moeraseiland bekropen had, maar Gio’s staalgrijze middertigponds volschub en mijn vangst van een eikenbruine puzzelschub zaten nog vers in ons geheugen. Het enige waar we het op de terugweg nog over hadden, was over meer trips zodra de winter voorbij zou zijn. Jammer genoeg was het dat volgende voorjaar nog steeds erg koud, met bijtende oostenwind. Onze vroege trip in maart was dan ook tevergeefs. Het parkwater zag er al even doods uit als een zak vol verdronken koeten, en hetzelfde was ook het geval op het kanaal waar we het meeste van onze tijd doorbrachten, lekker warm ingepakt stevige maaltijden vanuit de achterkant van mijn bestelwagen bereiden. De motor draaiende, muziekje op en de tijd aan het doden met verhalen, schunnigheden en de hang naar betere dagen. Gelukkig was het gezelschap opperbest: Meeky en Beadle gaan nooit vervelen en hun halfslachtige pogingen om omstreeks 3u op een ijskoude morgen na een dialezing waarbij de Duvel rijkelijk vloeide de hengels te water te krijgen was gewoonweg onbeschrijfelijk. Te weten dat we om 9u alweer onderweg moesten zijn om onze oversteek te halen. Gelukkig redde Gio ons die morgen bij het eerste licht met een grote zak boterkoeken en na wat sandwiches met hesp en thee waren we terug op de wereld, of vaagweg ergens toch.

Tegen dat het augustus was, bruisten we van verlangen. Zeker dat er meer van die knoestige, chocoladebruine jongens op ons wachtten. Uitwerpen zou een academisch kunstje moeten worden. Het plan was immers om in het donker te arriveren, om twee uur ‘s nachts als het verkeer niet te druk was en ik niet in slaap zou vallen. Bij aankomst besloten we in het park rond te wandelen, op zoek naar springende vissen, daarna een paar choddies uitwerpen, wat slaap pakken, om gewaakt te worden door een visje of twee on the end… Het leek simpel. Nog voor we de straten van Southampton uit waren hadden we het al over zakken vol grote, zwaarbeschubde mastodonten naast elkaar, wachtend op hun fotosessie… Een mens mag toch hopen en dromen, en we waren nog het meest van al opgewonden door het feit dat we opnieuw enkele dagen naar onbekend terrein gingen. De realiteit? Na mijn vroege start om 6u op het werk en na 22u wakker te zijn, kon ik haast mijn ogen niet meer open houden toen we arriveerden in de met graffiti besproeide, ietwat sketchy aandoende parking die duidelijk gebruikt werd voor dubieuzere activiteiten dan wat het stadsbestuur er voor ogen mee had. Ik zette de motor af en we stapten de bedompte nacht in. In de verte hoorden we stemmen en luid gelach. Dit park is berucht voor praktijken die het daglichten niet mogen zien, we waren op onze hoede. Al snel werd duidelijk dat we ons eigenlijk geen zorgen hoefden te maken. Een minuut of vijftien zaten we te luisteren naar dronkenmanspraat en –gelach, naar het getier van een groepje skinny dipping meiden, die van de dam sprongen om in de inktzwarte duisternis te verdwijnen… Jammer dat de straatlichten toen net niet sterk genoeg waren.

Twee rondjes om het parkwater en nog eens drie raaskallende groepjes feestneuzen verder hadden we nog steeds geen enkel idee waar de karpers zich schuilhielden Het glasvlakke, kalme sop wilde maar niets prijsgeven en uiteindelijk nam de vermoeidheid het over van de vurige wens om er eentje te vangen. Onze bedchairs kwamen dus verstopt op een miniem spotje te staan om een paar uurtjes een uiltje te kunnen knappen. Spijtig dat geen van ons beiden muggenmelk had meegebracht want we ontwaakten met ontstoken oogleden. Erger nog, ik zag eruit als een puber vol puistjes en zelfs handsome Dave zag er voor een keertje niet meer zo best uit.

Gedurende de twee volgende nachten kregen we allerhande midzomerse parkpraktijken te verduren: Meeky brak een hengel, twee pedalootjes bestuurd door dronken gasten crashten recht op onze stek en bijna hadden we zodoende nog meer onbruikbaar carbon, ik haakte ei zo na een zwemmer van het ondiepe plateau waarop ik zat te vissen, zich niet bewust van de maat 5 Chodda die paraat stond om ‘m in zijn enkel te prikken, een snoekvisser pikte mijn lijnen op, een bende van wel twintig kanoërs peddelde helemaal vrolijk zomaar door al onze lijnen, waarbij we bijna een nietsvermoedende twaalfjarige onthoofdden. Verder hadden we enkele incidentjes met honden en een groepje wielrenners was ook van de partij. ‘s Nachts kregen we met nog meer groepjes dronkaards en andere vreemde figuren af te rekenen dus veel slaap viel er niet te rapen. Maar hoewel het deze keer niet rustig was, die buzz was er wel weer!

Door alle chaos heen wisten we er gelukkig een paar te vangen. Geen massieve beesten, maar stuk voor stuk mooie chocolaatjes. Na twee nachtjes zonder slaap besloten we er de brui aan te geven en nieuwe oorden op te zoeken, meerbepaald een stukje kanaal waarover we getipt waren. Als rust en stilte hetgeen waren wat we zochten, dan konden we door Gio op geen slechtere stek neergepoot zijn.

Gaz